Boerenapostel

Het was dag vier van ‘Movements of Transformation’ bij Jan Jacob Stam, november 2020. Er was ruimte voor een opstelling. Iets vanuit het evolutionair geweten en Jan Jacob vroeg wie er een vraag wilde inbrengen. Het bleef stil. Zou het dan nu werkelijk wéér mijn beurt zijn? Ik was al zo vaak geweest. En terwijl ik dat dacht, hoorde ik mezelf zeggen dat ik wel iets wilde onderzoeken.

Ik was benieuwd naar de rol van de coöperaties en bedrijven -vaak hun oorsprong in coöperaties- in relatie tot ons bedrijf, waar wij met ons bedrijf lid of klant van zijn. De dagen daarvoor had ik de transformatie gevoeld van mijzelf en die van ons bedrijf. En toch voelde ik nog iets dat ons weerhield van verandering. Ik voelde nog een stevig, vast web om ons bedrijf heen. Als een vlinder met haar vleugels gespreid klaar om verder te vliegen, gevangen in een web omdat haar poten blijven kleven.

Het werd een stakeholdersopstelling.
Er werden representanten gekozen. Eén voor het verleden van ons bedrijf, één voor ons bedrijf, één voor de toekomst van ons bedrijf, één voor de oorsprong van de coöperaties, één voor de bank en één voor datgene wat stopt.
Zonder verder in details te treden over de opstelling, ontvouwde zich een helder en herkenbaar beeld.

Op een gegeven moment werd ik uitgenodigd in de opstelling en ineens leek ik oog in oog te staan met Pater van den Elsen.
Pater van den Elsen, de Boerenapostel, grondlegger van de NCB -huidige ZLTO- en tal van coöperaties. Geboren in Gemert in 1853, in het Katholieke Brabant, op steenworp afstand van onze boerderij, de plek waar ik geboren ben.
En ineens her-innerde ik me een stuk wat hij ooit geschreven had over ‘De taak van een goede boerin’.
Ik verstijfde, kon me nauwelijks bewegen en had geen oog meer voor het geheel, laat staan dat ik me ermee kon verbinden. Ik wilde dankbaarheid en respect voelen, maar stond daar totaal apathisch en kon geen woord uitbrengen.

Ik werd uitgenodigd te zeggen: ‘Ik kan je niet meer beschermen.’
Ook tegen ‘de oorsprong van de coöperaties’ en ook tegen ‘het verleden van ons bedrijf’.
Allen mannelijke representanten. 

Phoe. Daar stond ik dan.
Als meisje alle kansen gehad en genomen en de laatste jaren als vrouw, moeder en boerin volop geïnvesteerd in persoonlijke ontwikkeling.
Wat een moeite koste me dat. Dat ene zinnetje uit te spreken. En het ook werkelijk te menen. Met heel mijn lijf te voelen.
Het overkwam me zelden in een opstelling. Het lukte me bijna niet. Het kwam van diep. Het kwam van ver. En het duurde lang.

“Ik kan je niet meer beschermen.”

Eenmaal uitgesproken kwam er ‘vreugdevolle nieuwe samenwerkingen’ het veld in.

—————————————————————————————————————————

Pater van den Elsen, Weekblad voor den Noordbrabantschen Christelijke Boerenbond, 19 maart 1904.
Bron: Boeëre op skraol zaand, ’t moes, en ’t zò en ’t kós…. P.F.M. van Antwerpen

 

“Een goede boerin moet alles kennen, dat wil zeggen niet allerlei wetenschappen, maar allerlei werk. Zij moet als kok alle spijzen kunnen bereiden, zoals het jaargetijde meebrengt. Zij kookt in de zomer een geheel andere pot als in den winter. Zij moet tevens naaister en kleermaker zijn en allerlei ondergoeden kunnen maken en herstellen voor mannen, vrouwen en kinderen. Zij moet vooral een nette en zorgzame kindermeid zijn en weten hoe de kleintjes moeten gespijsd, gekleed en gerijnigt worden. Zij moet ook stalmeid zijn en weten wat het vee toekomt. Zij moet veevoeder bereiden, het vee melken, de melk en boter bereiden, alle gereedschappen en huismeubelen zuiver houden.
Zij moet zelfs tuinier zijn, groenten kunnen planten en bewerken. Zij moet desnoods ook op den akker kunnen medewerken. Dan moet zij nog koopvrouw zijn om bij het inkoopen van allerlei huishoudelijke benoodigdheden en bij het verkoopen van verschillende voortbrengselen niet bedrogen te worden. Eindelijk moet zij nog ziekenzuster zijn, om hare huisgenoten bij alle voorkomende ongevallen bij te staan en ten laatste, wat het voornaamste van alles is, zij moet ook nog eene goede leermeesteres zijn, want daarvan vooral zal het geluk der kinderen en van geheel haar huisgezin afhangen.”

In het boek ‘Tegen de stroom mee, systemisch leiderschap’ schrijven Jan Jacob Stam en Barbara Hoogenboom, dat het soms nodig is om een stukje tegen de stroom van het leven in te zwemmen, daar een betekenisvolle oorsprong te vinden en je vervolgens op de kracht van het leven mee te laten drijven.
Uitgeverij Het Noorderlicht.

 

Ik verstijfde,
kon me nauwelijks bewegen
en had geen oog meer voor het geheel.

Laat staan dat ik me ermee kon verbinden.

Pater Gerlacus van den Elsen met zijn vader en moeder. De foto is een reproductie van meerdere foto’s en werd gemaakt in 1901.