Bedrijfsopvolging

Als dochter van een boer en van een onderwijzeres, heb ik als klein meisje altijd boerin willen worden. Als oudste van vier kinderen met twee jongere broers en één jongere zus, heb ik altijd gevoeld dat ik de bedrijfsopvolger zou zijn van onze boerderij. Ik was vaak buiten te vinden en graag op stal. Hoe breed mijn interesse ook was, hoe ik me ook oriënteerde op andere beroepen, het boerenleven bleef trekken.
Ik voelde me gesteund door mijn ouders en ze gaven me ruimte mijn pad te bewandelen. Ik word verliefd op een man die ook boer wil worden en we maken samen plannen voor de toekomst. Financieel gezien lijkt het spannend, maar verder staan eigenlijk alle seinen op groen om de boerderij over te nemen.

Ik studeer vier jaar Dier- en Veehouderij aan de HAS, heb twee maanden studievertraging, ga na mijn afstuderen op reis naar Azië en Oceanië, bij terugkomst komt er een mooie baan op mijn pad als docente veehouderij die ik met beide handen aangrijp en ik wacht op mijn jongste broer tot hij weet welke richting hij op wil, om ook hem een kans te geven bedrijfsovername te overwegen.  
Mijn vader krijgt in 2006 de kans een bijna volledig maatschappelijke functie te vervullen en mijn moeder werkt al jaren in het basisonderwijs. 
Er ontstond een lege plek op ons bedrijf, 
en ik nam hem niet in.


Bij ieder gesprek dat we hebben met adviseurs of coaches over onze bedrijfsovername, komt er wel een moment dat ik moet huilen. Zonder dat er persé een directe aanleiding voor is ga ik trillen en komen er tranen.
Er wordt veel besproken. Het bedrijfseconomische traject, het juridische traject, het fiscale traject en er is ruimte voor de sociale en emotionele kant van het proces. En telkens voelde ik leegte. Het leek alsof er nog iets was, waar we met z’n allen volledig aan voorbij gingen.
Wanneer ik rekende aan de begroting, maakte ik het laatste stukje niet af. Wanneer ik een reactie zou geven op een juridisch stuk, bleef het langer liggen dan afgesproken. Wanneer we écht het gesprek zouden aangaan met elkaar om een beslissing te nemen, kwam er iets tussen.  
Het ontbrak me telkens aan echte daadkracht. Een schuldgevoel overheerste. Het kwam regelmatig voor dat ik boos werd op iets kleins. Het bedrijfsovernameproces voelde altijd aanwezig, duurde lang en leek andere bedrijfsontwikkelingen in de weg te staan.

Ik ga terug in de tijd. Het is augustus 2002, enkele dagen voordat ik naar Kenya vertrek om daar stage te lopen.
Ik melk onze koeien in onze 2×4 visgraat melkstal. En ineens vanuit het niets word ik geraakt door de poot van een koe. Het is zo’n onverwachte en harde klap dat ik haar niet meer durf te melken. Dit had ik werkelijk nog nooit meegemaakt. Ik voelde de koeien eigenlijk altijd best goed aan, kon prima anticiperen op het onverwachte en kon iedere koe áltijd melken.  
Deze keer was het anders. Het was alsof niet zij zelf die beweging maakte, maar dat zij bewogen werd. De schrik en de pijn daarvan was groter dan de fysieke pijn aan mijn arm.
Ik had geluk gehad.
Ik vertrouwde ons Sientje 54 niet meer. Haar melken bleek steeds lastiger en op een gegeven moment beschadigt ze haar hak.

Tijdens mijn stage in Kenya raakt het voorval naar de achtergrond.
Eenmaal thuis en ik weer voor de eerste keer onze koeien melk, vertelt mijn vader dat de genezing van de hak van Sientje 54 niet normaal verloopt. Ze ligt apart in de wei, afgezonderd van de rest van de kudde en kan niet meer lopen. We maken ons zorgen. We voelen aan dat we haar niet naar het slachthuis kunnen brengen en laten haar euthanaseren. Een laboratorium bevestigd ons vermoeden; Sientje 54 heeft BSE.

Na een paar dagen van afscheid nemen, worden op 22 november 2002 al onze dieren geruimd. Inclusief het kalf wat die avond ervoor geboren is en haar moeder.
Een verdrietige dag en ik help mee de koeien de wagen op te begeleiden.
We worden stil tijdens het avondeten wanneer we ons realiseren dat al onze koeien op dat moment dood zijn.
Op 23 november ben ik jarig en word 21. Ik vier die dag geen feest. Naast het verdriet om het verlies van onze kudde, de verwarring en het onbegrip van mezelf, voel ik ook dat van mijn vader.

De volgende dag ben ik terug op mijn studentenkamer. Ik vertel aan mijn ganggenoten dat onze koeien geruimd zijn en ook meteen dat er snel weer nieuwe dieren zullen komen. We werden getipt dat er een veestapel in de buurt te koop kwam. Wat een kans! Binnen drie weken zou onze stal weer vol staan.
Ik kijk naar mijn ganggenootje. Ik plaats mijn verdriet direct in perspectief; ik ben geen dierbaren verloren. Zij is als jong meisje ooit gevlucht voor de oorlog in voormalig Joegoslavië. Waarom ben ik verdrietig?
Ze zegt: “Misschien voelt het verliezen van een veestapel wel hetzelfde als het afbranden van een huis. Je kan op dezelfde plek hetzelfde huis terugbouwen. Toch is het nooit meer het oude, met haar kieren, geluiden en geuren.”
Even later stap ik op de trein op weg naar mijn stage in Den Haag.
Ik focus me op de toekomst.
Ik hoor mijn vader niet meer zingen tijdens het melken en er komt een radio. De dieren die we zo snel na de ruiming mochten ontvangen, leken nooit meer écht de onze te worden. Ik werk op de automatische piloot en mopper vaker dan me lief is op de koeien. 

Systemische ontrafeling jaren later, brengt inzicht en verlichting.
In alle gesprekken over onze bedrijfsovername die we hebben gevoerd, was dat precies de diepte die ik miste. 
Vanuit persoonlijk geweten wilde ik het bedrijf overnemen. Ik was ervoor geschoold, had een missie, een visie, maakte een SWOT-analyse, stelde doelen en bepaalde een strategie.
Echte beweging bleef uit.
Het systeem geweten van mijn familie en dat van ons bedrijf wilde compleet zijn. Er moest nog iets gezien worden.
Het bedrijf heeft de gebeurtenis overleefd. Maar ik ben al die tijd, volledig onbewust, heel hard aan het werk geweest om het bedrijf niet over te nemen, om die ene lege plek niet in te nemen.

Wat draag ik van mijn vader? Wat is het trauma van het bedrijf? Wat is het trauma van mij?
Wanneer ben ik dochter? Wanneer ben ik bedrijfsopvolger? Wanneer ben ik bedrijfsleider?
Opstellingen maakten dat ik de gebeurtenis en mijn pijn alsnog kon erkennen en integreren, en dankbaarheid kon voelen voor wat het mij en het bedrijf gebracht heeft.
Het bedrijfsovernameproces hebben we het afgelopen jaar af kunnen ronden. Ik ben bijna 40.

En terwijl ik dit schrijf, zie ik vanuit mijn kantoorraampje onze oude ligboxenstal naast ons huis.
Leeg. Zielloos. Onaangeroerd.
We gebruiken de ligboxenstal voor opslag, meer niet. Onze koeien zijn allang naar een nieuwe ligboxenstal verhuisd. De mest en het zaagsel van toen ligt opgedroogd in de boxen. Alsof de koeien er gisteren tijdens een droge en warme dag nog stonden.
Waar we deze stal na het afvoeren van onze dieren in 2002 in een sneltreinvaart schoonmaakten en klaar maakten om onze nieuwe veestapel te ontvangen, staat die nu ruim acht jaar leeg.
We hebben allang een bouwdepot binnen om te verbouwen. Urgentie lijkt te ontbreken. We hebben genoeg redenen waarom we er nog niet aan zijn begonnen.


En ineens krijg ik een inzicht.
Ik zie de beelden weer voor me van de ruiming.
Ik kan er liefdevol op terug kijken, als onderdeel van de geschiedenis van ons bedrijf.
Ik slaak een diepe zucht.
En voel ‘ons bedrijf’ weer ‘onze boerderij’ worden.
En ik heb zin om een tekening te maken van wat er op die plek komen mag. 

————————————————————————————————————————————–

Mijn vader is een tijdlang columnist voor Oogst, het ledenvakblad van LTO-Nederland.
Op 13 december 2002 schrijft mijn vader:  

Zinloos geveld

Bij een koe van een rundveebedrijf in Boekel is gekkenkoeienziekte BSE vastgesteld. De overige 72 runderen zijn geruimd. Al even droog als het persbericht was zo stond het in de vakpers. Nummer 51 van Nederland is geen echt nieuws meer. Nr 51 was echter ons Sientje 54. Ze was al een tijd kreupel. De genezing van haar beschadigde hak verliep niet normaal. We maakten ons al zorgen. Uiteindelijk hebben we haar laten euthanaseren. ‘Bij de overige runderen werden geen verschijnselen van BSE geconstateerd’, zo meldde de pers. Geen nieuws want een tweede koe met BSE komt eigenlijk nooit voor. Insiders weten verder te melden dat de consument geen enkel risico loopt. Alle koeien worden getest op BSE. Verder wordt al het risicomateriaal uitgesneden en verbrand. Maar deze wetenschap heeft onze kudde niet meer kunnen redden. Elk jaar moet je van een aantal koeien afscheid nemen. Maar het maakt nogal wat uit waarom. Is het een gebrekkige oude koe of gaat het om een hele kudde gezonde dieren? Op 22 november zijn dan al onze koeien in alle rust op twee mooie exportwagens gedreven. Bij het wegrijden zagen we door onze betraande ogen nog de verbaasde blik van onze Liza’s, Mina’s en Tina’s. Ik voelde me een gedwongen verrader. Handelend in opdracht van het RVV. Zij voeren de regels uit. Regels opgesteld door juristen die aan de tekst te zien geen enkele binding met dieren hebben. Regels die zijn ingegeven door op emotioneel veilige afstand opererende export- en inkoopmanagers. Zij zijn bang voor de onwetende consument. Een consument die niet meer het risico wil nemen om een risico te lopen. De emotie heeft de ratio verdrongen. Voedselveiligheid is een religie geworden. De inkoopmanagers als hogepriesters van dit geloof eisten onze kudde als bloedoffer.
Maar ik belijd niet hun geloof. Zoiets wil de consument niet. Voor mij zijn ze dan ook zinloos geveld.

Peter Ketelaars
melkveehouder in Boekel

Er ontstond een lege plek op ons bedrijf,
en ik nam hem niet in.

Bij Peter Ketelaars uit Boekel werd in november bij een koe BSE vastgesteld. Inmiddels heeft hij een nieuwe veestapel.
Foto Peter van Huijkelom – Brabants Dagblad 30-12-2002