Mest

Koud een week terug uit Afrika, startte ik mijn stageopdracht bij LTO Nederland. Het was oktober 2002. Ik mocht een communicatieplan schrijven voor het ammoniakreductieplan voor de melkveehouderij. Een sectoraal initiatief met als doel de ammoniakemissie -stikstofuitstoot- te reduceren middels het voerspoor, om op die manier bij te dragen aan de landelijke doelstelling van het Kyoto Verdrag.
Na lobby van LTO Nederland had het Ministerie van LNV daar ruimte voor gegeven.

Vanuit mijn studentenkamer in Den Bosch reisde ik dagelijks met de trein op en neer naar Den Haag. Mijn eerste stagedag viel samen met de eerste dag ‘blaadjes op de rails’ en het spoorboekje ontspoorde. Mensen klaagden over overvolle treinen en over dat zelfs dieren niet zo vervoerd mochten worden. Een week daarvoor zat ik nog in een 8-persoons Matatu samen met ongeveer 20 medepassagiers, waaronder 2 geiten, 5 kippen en een kalf.
Vanachter het treinraampje zag ik het Nederlandse landschap aan me voorbij glijden. Weilanden met slootjes, molens, koeien in de wei en boerderijen.
En plots voelde ik een enorme verantwoordelijkheid.
Ik voelde me er ineens enorm verantwoordelijk voor dat het communicatieplan zou slagen. Dat iedere melkveehouder in Nederland zijn of haar koeien anders zou gaan voeren. Dat we samen de ammoniakemissie zouden verminderen en dat er daardoor letterlijk meer bestaans- en ontwikkelruimte zou ontstaan.

Ik vertrok iedere dag in het donker en ik kwam in het donker terug. Mijn studievrienden waar ik doorgaans in de avond gezamenlijk mee at, liepen elders stage en waren niet in Den Bosch. Ik kwam iedere werkdag alleen thuis, at een magnetronmaaltijd, keek Goede Tijden Slechte Tijden en ging vervolgens slapen.
Mijn opdracht was altijd voelbaar aanwezig. Ik kon het niet afsluiten.  
Ik voelde me moe, leeg en niet persé verklaarbaar verdrietig. En ik ging door. Ik moest immers hoe dan ook mijn stage goed afronden. Stel je voor dat ik zou falen, wat zou er dan gebeuren?
Het moest, het zou en het kon.

Met een 9 op zak en eigenlijk totaal opgebrand ging ik direct door naar mijn volgende stage. Ik had dat nu eenmaal allemaal zo gepland en wilde koste wat kost geen studievertraging oplopen. En hoe kon je nou moe worden van kantoorwerk?

Mijn derde en laatste stage van dat jaar doorliep ik bij het Ministerie van LNV. Ik was benieuwd naar de organisatie en naar de mensen die er werkten. Er werd vanuit de landbouwsector veel over gezegd en geschreven. Dáár werd het beleid gemaakt.
Ik wilde ontmoeten en leren kennen.

Ik was benieuwd naar de invloed van de sector melkveehouderij op het mestbeleid -stikstof- en fosfaat regelgeving- en deed daar uit eigen initiatief onderzoek naar.
Ik kwam wederom terecht op kantoor. Op de elfde verdieping deze keer en vanuit mijn werkplek kon ik door het raam de zon zien opkomen boven de stad. En zodra ik mijn gezicht richting de eerste zonnestralen van de dag wendde, maakte het zoemende geluid van de omlaaggaande zonwering abrupt een einde aan mijn enige voelbare contact met buiten.

Vol goede moed begon ik aan mijn opdracht. Ik doorgrondde literatuur, ik interviewde betrokkenen en ik verwerkte mijn bevindingen in een verslag. Mijn concentratie werd met de dag minder. Ik dwaalde met mijn gedachten af. Ik dwaalde af naar onze boerderij, waar net het voorjaar begon en de mest werd uitgereden. Het zou er moeten zijn, maar ik voelde geen enkel verband tussen mijn opdracht en de praktijk van alledag.

Ik mocht deelnemen aan vergaderingen en lunchte samen medewerkers. We hadden het regelmatig over landbouw in het algemeen en over onze boerderij, ze waren erg geïnteresseerd. Ik betrapte mezelf regelmatig op opmerkingen waarvan ik geen idee had waar die ineens vandaan kwamen. Zonder dat er direct aanleiding toe was, begon ik me te verdedigen. Het floepte zomaar uit mijn mond.
Een excursie van het LNV-team bij ons op de boerderij ging op het laatste moment niet door. Er was die dag vogelgriep uitgebroken in Nederland. Het begin van een crisis. 

Wederom -of nog steeds- voelde ik me moe, leeg en verdrietig.
Woorden en cijfers geschreven over mest, mineralen, landbouw en milieu dansten voor mijn ogen.
Woorden en cijfers waarvan ik dacht dat ik er iets mee kon.
Woorden en cijfers waarvan ik dacht dat daar oplossingen uit voort zouden komen.
Woorden en cijfers die zouden zorgen voor bestaans- en ontwikkelruimte.
Woorden en cijfers waarvan ik dacht dat ze mij interesseerden.
Met moeite perste ik er een verslag uit. 

Mijn overgrootopa pionierde op de arme Boekelse zandgrond aan de rand van de Peel met mineralen. Hij benutte aan het begin van de vorige eeuw de as na verbranding om op de zandgrond uit te strooien. Zijn generatie probeerde met ‘volhoudende onverzettelijkheid een ‘kostwinning’ te halen uit het arme Boekelse zand’, aldus schrijver Piet van Antwerpen.
Mijn opa verklaarde kunstmest het witte goud. “Zonder kunstmest waren we nog steeds die arme keuterboertjes. Er groeide echt niks hoor!”
Met de uitspraak van Sicco Mansholt ‘Nooit meer honger’ stevig verankerd, transformeerde ook de Boekelse landbouw, waaronder de boerderij van mijn voorouders, na de Tweede Wereldoorlog tot een economische welvarende sector.
De inkeer van Mansholt zelf, kon destijds niet meer voor ommekeer zorgen.
Eind jaren 80 werd Boekel uitgeroepen tot meest verzuurde gemeente van Nederland.
Mijn vader zag de keerzijde van de ontwikkelingen en begaf zich in allerlei commissies en besturen, ervan overtuigd dat landbouw & milieu geen tegengestelde belangen hadden.

Piet (P.F.M.) van Antwerpen schreef een boek met daarin een terugblik op 100 jaar Boerenbond en agrarisch ondernemen in Boekel (1896 – 1996). Een boek met de titel:

“Boeëre op skraol zaand”
’t moes, en ’t zò en ’t kós….

“Boeren op schraal zand”,
het moest, en het zou en het kon….

#Patronen

En plots voelde ik een enorme verantwoordelijkheid.

Nooit meer honger
Sicco Mansholt