Kenya

In het jaar 2000 schreef ik me in voor de opleiding Dier- en Veehouderij aan HAS Den Bosch. Ik wilde boerin worden. Ik keek enorm uit naar mijn studententijd én naar het moment dat ik eindelijk ging leren wat ik graag wilde leren. Ik schreef me in voor de afstudeerrichting biologische veehouderij. Het bestuderen van natuurlijke processen leek me een logische basis en de rest zou ik wel naar eigen inzicht toe gaan passen in de praktijk wanneer dat nodig zou zijn. 

Ik bleek de enige.

Ik stroomde mee in het geheel en heb de rest van de opleiding niet meer getaald naar ook maar enige differentiatie richting biologische landbouw. 
Ik leerde inderdaad over bodemkunde en de anatomie en de fysiologische processen van plant en dier. Ook kregen we opdrachten om met katoenzaad uit Indonesië en soja uit Brazilië een rantsoen op te stellen en te berekenen wat dat met de melkproductie deed als de koeien dat aten. We leerden analyseren aan de hand van een ranglijst welke dieren economisch gezien rendabel waren en welke niet. En bij productkwaliteit stonden hygiëneprotocollen tijdens het productieproces van voedsel en aansprakelijkheid in de keten centraal.

En toen brak mijn derde jaar aan, het stagejaar. Verplicht op buitenlandse stage. Yes!
Ik wist duidelijk wat ik niet wilde, maar in tegenstelling tot zo’n beetje alle andere keuzes in mijn leven, wist ik ook niet precies wat ik wél wilde.
Ik liep Bureau Buitenland binnen en daar was een multomap aanwezig vol met knipsels van stageopdrachten in het buitenland. 
Ik pakte de map en ik genoot van dat moment.
De hele wereld lag even letterlijk voor mijn neus en de mogelijkheden voelden oneindig. Zonder enig doel en zonder focus bladerde ik de map door.

En ineens trok een handgeschreven kattebelletje mijn aandacht: Kenya – 90 koeien – en wat contactgegevens. Meer niet. Ik voelde een lichte opwinding. Ja, dat was het! Ik zou naar Kenya gaan! Mijn besluit stond direct vast en naar mijn ouders en mijn vriend toe was dit enkel een mededeling. De stage was zo geregeld, ik zou als opdracht de jongveeopfok gaan analyseren en ik bereidde me goed voor op mijn reis.

Augustus 2002. De onvermijdelijke -wat men noemt- cultuurshock was er al nog voordat het vliegtuig landde. Vanuit mijn vliegtuigraampje kon ik zien wat ik wel vaker op TV had gezien, maar nu vóelde ik het ook echt.
Afrika. Het voelde écht anders. 

Op de vruchtbare rode aarde, te midden van het tropische hoogland klimaat met al haar uitdagingen, met de mensen en middelen die in Kenya voorhanden waren, was het management op het bedrijf voornamelijk Nederlands ingegeven.
Eenmaal aan de gang op de boerderij, welke deel uit maakte van een kindertehuis, werd ik direct geconfronteerd met mijn overtuiging als boerendochter. Mijn overtuiging dat ik vooral veel en hard moest werken om een goede stagiaire te zijn, moest ik loslaten. Er werkten 40 mensen, ik kon hun taken niet zomaar overnemen en het was heet. Ik was wit en op de bedrijfsleider na was iedereen zwart. Ik had moeite mijn tijdelijke plek als stagiaire in te nemen. In de ochtend molk ik samen met medewerkers de koeien en de rest van dag kon ik besteden aan mijn stageopdracht.
Er was genoeg ruimte om stilletjes te observeren en de omgeving te ontdekken.

Ik zag water stromen uit de zelf geslagen waterput. Ik zag mais geoogst worden met gedoneerde machines uit Nederland. Ik zag tijdens de oogst mais verloren gaan. Ik zag Holstein Friesian koeien de snijmais eten. Ik ontdekte hele korrels mais in de mest. Ik zag in tabellen dat de melkproductie per koe per jaar de afgelopen jaren gestegen was. Ik zag de kinderen in het kindertehuis iedere dag melk drinken. Er werd melk verkocht aan de melkfabriek en er werd melk verwerkt tot zuivelproducten, waaronder kaas. Ik zag dat de bomen uit de eigen boomkwekerij zorgden voor schaduw.

Buiten de poorten van de boerderij zag ik mensen in een stalletje langs de weg enkele kolven mais verkopen. Ik leerde dat mais voor Kenyanen het hoofdvoedsel was. Ik zag mensen met honger.

Na afloop van mijn stage maakte ik een rondreis door Kenya.
Op een dag ontmoete ik, midden in de uitgestrekte Kenyaanse savanne, een Masai stam. Runderhoeders sinds de oertijd, eeuwenlang volgens dezelfde tradities. Er was één jongen uit de stam die Engels sprak. En wat hij mij daar en op dat moment vertelde, raakte mij diep.
Zijn kennis over hun koeien, het gras, de aarde, de samenwerking met de elementen, hoe ze samen binnen de stam ieders verantwoordelijkheden hadden over hun kudde, hun voedsel en hun veiligheid…
Er was er iets waardoor ik me diep verbonden voelde met deze jongen, met zijn stam.

Een runderhoeder, gekleed in een rode doek, op sandalen, in een lemen hut. En hoewel ogenschijnlijk een wereld van verschil, er was iets universeels wat maakte dat hij en ik hetzelfde deelden.

Ineens viel al wat ik ooit geleerd had over ons landbouwsysteem in het niet.
Het leek totaal niet relevant.
En ik voelde me als boerendochter één met hen.

Bij thuiskomst wachtte mij de opdracht mijn stageverslag af te ronden. Het verwerken van de jongveeopfokanalyse op mijn stagebedrijf. Hoe de dieren groeiden en hoe de groei door voeding, verzorging en huisvesting geoptimaliseerd kon worden.

Ik wist me werkelijk geen raad.

Mijn wereldbeeld,
en in het bijzonder dat van landbouw,
stond volledig op zijn kop.

Zonder enig doel
en zonder focus
bladerde ik de map door.

Ineens viel al wat ik ooit geleerd had over ons landbouwsysteem in het niet.